books-1702790_1280.png
books-1702790_1280.png

Ze noemden hem Jan

Het was een zachte nacht in maart toen hij geboren werd. In Groot-Ammers brandden nog kaarsen achter de kanten gordijnen van een klein wit huisje. De baby was hun eerste, en hij had bolle wangen en helblauwe ogen. Zijn moeder was dolgelukkig dat hij gezond geboren werd en sloot hem liefdevol in haar armen. Hij kreeg de naam Jan, naar de oudste broer van zijn vader. Niemand had toen gedacht dat dat geen toeval kon zijn. Dat het lot van kleine Jan met die naam al werd bezegeld. Alsof ze met drie letters een profetie over hem uitspraken. Een vloek, of misschien ook een zegen. 

Het was 1927, een tijd dat de wereld niet op kon. In Amerika verdienden de burgers gouden dollars met de aandelenverkoop. Nederlandse kooplui konden hun waar overal kwijt. De handel floreerde, en bloemen, kaas en boter gingen de hele wereld over. Ook Jans vader profiteerde daar van mee. Marius had een goede baan bij het rijk als zuivelkeurmeester en verliet hun huisje elke dag met opgeheven hoofd. Misschien was hij dan niet zo succesvol als zijn broer Jan, het inkomen voor zijn gezin kwam elke week binnen en dat was voor Marius voldoende. 

Jans eerste jaren waren gevuld met liefde. Zijn moeder gaf hem alle aandacht die hij nodig had en toen in 1929 de Amerikaanse beurzen in elkaar stortten leek er nog niks aan de hand. De productie van melk ging ongehinderd door en dus ook het werk voor Marius. Dat de crisis, die aan de andere kant van de oceaan begon, zo heftig zou overwaaien, had niemand gedacht. En toen de keuringen langzaam over de dagen werden uitgesmeerd veranderde er langzaam iets in het gezicht van de jonge man. Niet iedereen zag het, zeker de tweejarige Jan niet, maar zijn vrouw herkende de blik als zorgelijk. 

Jan groeide op. Niet alleen in Groot-Ammers, maar ook bij zijn oma, in het huisje aan de dijk. Langzaam bracht hij steeds meer tijd bij haar door. In de zomer sopte hij zijn voetjes in de modder van de Merwede. In de winter groeide het ijs soms zo ver dat je lopend de overkant kon halen. Dat er Langzaam een zwarte deken over de wereld werd uitgeschud was voor Jan onzichtbaar. Terwijl de beurskoersen instortte, de koopkracht daalde en de werkloosheid naar recordhoogten steeg, kreeg Jantje broertjes en een zusje. Hij ging met zijn ouders naar de kerk en speelde in de straatjes van het kleine dorp, alsof de toenemende zorgen niet bestonden. 

Later zou hij er vaak aan terugdenken. Als hij had geweten dat hij zoveel bij zijn oma was om het brood uit zijn mond te sparen had hij misschien iets kunnen doen. Maar toen hij er achter kwam maakte het niet meer uit. Het was te laat. Te laat om liever te zijn voor zijn moeder, te laat om beter te luisteren naar zijn vader, te laat om zijn gebeden harder op te dreunen en niet om die extra aardappel te zeuren. 

De economische crisis sloeg meedogenloos toe. Maar als hij zijn vader zag, droeg hij altijd dat nette pak, de lichtgrijze deukhoed en de leren tas met keuringspapieren. Dat Marius daarna aansloot in de rij met werklozen voor het stempelkantoor was een groot geheim. Niet alleen voor Jan, maar ook voor de buren en de mensen in hun kerk. Elke ochtend hees Marius zich in zijn kleding en vertrok, om vervolgens door het park te zwerven, wachtend op de tijden dat hij zijn stempels moest komen halen. 

In het begin van de jaren ’30 leken de rijen elke dag te groeien. Soms stond Marius er uren te wachten, tijd die hij niet meer kon gebruiken om iets bij te verdienen. Soms ging hij bij de boeren langs en kreeg hij iets mee om te verkopen, maar veel verdiende hij er niet mee. Eigenlijk was er langzaam nergens meer geld voor in het gezin. Maar Jan speelde verstoppertje en haalde met een netje voorntjes uit het water. Dat de gaten in zijn kleren alsmaar groeide, dat de kou in zijn huis elke winter snijdender werd, en dat hij steeds meer nachten bij oma sliep, had hij niet door. Misschien omdat hij nog zo klein was, misschien omdat het allemaal zo langzaam vorderde. 

Als oma tijd had ging ze met hem naar Gorinchem, waar Ome Jan een goed lopende kaashandel had. Oom en tante waren altijd lief als hij op bezoek kwam. Ome Jan liet hem zien hoe je met een kaasboor een stukje uit een grote ronde kaas draaide en tante maakte warme chocolademelk. In hun huis achter de winkel was het altijd een komen en gaan. Knechten, klanten en inkopers brachten een zilte lucht mee de kamer binnen. Als Jan er door de grote ramen over het haventje staarde, rook hij ze al voor hij ze zag. Soms aaiden ze hem even over zijn bol, alsof hij de zoon des huizes was, want een ander kind was er niet. 

Hij was vijf toen het uiteindelijk gebeurde. Het was niks geks, het gebeurde in zoveel huizen. Vijftig jaar eerder waren ze nog met bosjes gesneuveld aan de pokken en het zware fabriekswerk. Nu moesten al die mondjes gevoed worden. Hongerige schoolgaande mondjes die zoveel geld kosten dat het hen tot waanzin dreef. Pas toen hij volwassen was had hij zich beseft hoe moeilijk het voor zijn ouders geweest moest zijn, iets waar hij als kind nooit aan had gedacht. 

Op die late herfstdag in 1932 stond de rijp al op de velden. Moeder hielp hem met het inpakken van zijn koffertje. In haar ogen glom een vreemde blik die Jan niet eerder had gezien. Deze keer nam hij alles mee, zelfs zijn zondagse kleren en het dekentje dat moeder voor hem had gehaakt voor zijn geboorte. Toen ze het koffertje in zijn hand drukte wist hij voor het eerst dat er iets mis was. 

Oma stond al in de keuken toen ze binnenkwamen. Haar oude gezicht leek vermoeider dan anders en ze legde een hand tegen zijn wang. 

‘Je gaat het heel fijn hebben bij je Ome Jan jongen.’

Jan keek voorzichtig omhoog. Hij wilde niet verdrietig zijn maar de tranen kwamen vanzelf. Niet omdat hij het niet fijn vond bij Ome Jan, maar omdat er iets knaagde. Een grillig voorgevoel dat hij niet helemaal kon thuisbrengen.

Mama gaf hem een knuffel. ‘We zullen elkaar nog vaak genoeg zien lieverd, maar je oom en tante zijn helemaal alleen. Zij hebben geen kindjes en ze vinden het heel fijn als je bij hun komt wonen.’ Ze glimlachte scheef. ‘Daar kun je elke dag eten zoveel als je wilt.’ 

Jan sloeg zijn armen stijf rond haar middel. Hij wilde haar niet loslaten, maar oma pakte zijn beide schouders en trok hem naar achteren. 

‘Het komt allemaal goed jongen,’ zei ze vastberaden. 

Aan de hand nam ze hem mee naar buiten en Jan huilde. Dikke bange tranen die ongecontroleerd bleven stromen. Ook toen hij achterop de fiets zat, toen ze door Groot-Ammers reden en langs de Achterlandsche wetering. Pas toen ze bij de Korenbrug de stad binnenreden stopte het. Alsof hij al het vocht uit zijn lichaam had gehuild. Jan keek naar de grote herenhuizen, het water in de Linge en de kleine vrachtbootjes in de haven. Over de brug sloegen ze de hoek om en halverwege de straat trapte oma voorzichtig op de rem. 

Daar stond hij dan, in het tochtige portiek op de Langendijk. Door het glas in de deur zag hij een gedrongen figuur naderen. Zijn voetstappen tikten tegen de houten vloer. Jan voelde zijn knieën trillen toen hij in het vriendelijke gezicht van zijn oom keek. In zijn mondhoek brandde een grote sigaar en hij glimlachte breed. 

‘Daar ben je dan jongen,’ zei hij en opende zijn armen om hem te omhelzen, ‘Wat fijn dat je bij ons komt wonen, we gaan een echte kaasboer van je maken.’ Ome Jan tilde hem in de lucht. ‘Je krijgt een eigen kamer, helemaal voor jou alleen. En je mag elke dag kaas eten zoveel je wilt.’ 

Ook tante kwam nu aangelopen. in haar ogen glom een traan, maar het was een ander soort dat hij kende. Met een brede lach omhelsde ze hem. ‘Wat fijn dat je er bent lieverd,’ zei ze. ‘Kom, we brengen je koffertje naar je kamer.’ 

Ome Jan sloot de deur. Het huis was lekker warm en Jan zijn kamertje had een mooi bed en een bureautje met allerlei spulletjes. Tante pakte zijn koffertje uit en legde het dekentje van mama over het bed. ‘S middags mocht hij Ome Jan helpen in het pakhuis en die avond las tante hem een verhaaltje voor bij een kop dampende chocolademelk. Hij werd onthaald als een kleine prins. Maar deze keer smaakte de warme drank bitter, en die eerste nacht kon hij het niet helpen om alsmaar hetzelfde te denken. Als hij het had geweten, als hij liever was geweest voor zijn moeder, als hij beter geluisterd had naar zijn vader, als hij harder zijn gebeden had opgedreund en niet om die extra aardappel had gezeurd, hadden zijn ouders dan misschien één van de anderen weggedaan?

Het verhaal Ze noemden hem Jan is geïnspireerd op de jeugd van mijn opa, die als vijfjarig jongetje bij zijn oom en tante ging wonen.